Muziek in een doosje dat in je hand paste
Het cassettebandje was niet alleen een manier om naar muziek te luisteren. Je kon er zelf mee opnemen, kopiëren, bewaren en delen.
Van grote spoelen naar een klein doosje
Wie in de jaren vijftig geluid wilde opnemen, gebruikte meestal een bandrecorder met losse spoelen. Zo’n apparaat was groot, zwaar en niet bijzonder eenvoudig te bedienen. Het magneetband moest met de hand langs verschillende onderdelen worden geleid. Voor veel huishoudens was opnemen daardoor nog geen alledaagse bezigheid.
Begin jaren zestig werkte een team van Philips in het Belgische Hasselt aan een veel kleiner systeem. De Nederlandse ingenieur Lou Ottens leidde de afdeling Productontwikkeling. Volgens het Philips Museum liet hij een houten blokje maken dat in zijn jaszak moest passen. Dat formaat werd het uitgangspunt voor de nieuwe geluidsdrager.
In augustus 1963 presenteerde Philips op de Internationale Funkausstellung in Berlijn de Pocket Recorder EL 3300 en de bijbehorende Compact Cassette. In het kunststof doosje zaten twee kleine spoelen met daartussen een smalle magneetband. De gebruiker hoefde niets meer in te rijgen. Bandje erin, klep dicht en opnemen maar.
Philips liet andere fabrikanten het systeem zonder licentiekosten gebruiken, zolang zij zich aan de technische standaard hielden. Daardoor werkte een cassette van het ene merk ook in een apparaat van een ander merk. Die uitwisselbaarheid hielp de Compact Cassette uitgroeien tot een wereldstandaard.
Opnemen met twee knoppen tegelijk
De eerste cassette was vooral bedoeld voor gesproken woord. Al snel werd de geluidskwaliteit goed genoeg voor muziek. Cassetterecorders verschenen in huiskamers, slaapkamers, klaslokalen en auto’s. Vaak waren ze ingebouwd in een radio of stereotoren.
Opnemen ging meestal door record en play tegelijk in te drukken. Met een ingebouwde microfoon kon je stemmen en omgevingsgeluid vastleggen. Via de radio maakte je een eigen verzameling muziek. Daarna moest het bandje worden omgedraaid van kant A naar kant B.
Ongeveer dertig minuten op kant A en dertig minuten op kant B.
Ongeveer drie kwartier muziek per kant — genoeg voor veel elpees.
Opnemen betekende opletten. Drukte je te vroeg, dan nam je nog een stukje van de aankondiging op. Drukte je te laat, dan ontbrak het begin. En net wanneer het bijna goed ging, praatte de diskjockey soms door de eerste of laatste maten heen.
Je eigen Top 40
Voor veel jongeren hoorde het opnemen van de radio bij het weekend. Je wachtte op een favoriet nummer, hield de knoppen in de gaten en probeerde de presentator te slim af te zijn. Zo ontstond na verloop van tijd een bandje met alleen muziek die je zelf had gekozen.
Dat klinkt nu als een omslachtige afspeellijst, maar er was een belangrijk verschil: een cassette werd in echte tijd opgenomen. Een nummer van vier minuten kostte ook vier minuten om te kopiëren. De volgorde moest vooraf worden bedacht en aan het einde van een kant bleef soms nét te weinig ruimte over voor het volgende liedje.
Het kartonnen kaartje in het doosje werd daarom zorgvuldig ingevuld. Artiest en titel op de lijntjes, soms met de speelduur erbij. Wie meer werk van een bandje maakte, tekende een hoesje, gebruikte gekleurde pennen of gaf de twee kanten een eigen sfeer.