Bij de schoolarts kwam je ook als je nergens last van had. Dat maakte hem — of haar — anders dan de huisarts. Je was niet ziek, je had geen pijn en toch moest iemand naar je ogen kijken, je lengte meten of je rug bekijken. Voor veel kinderen was het een merkwaardige onderbreking van de schooldag: even geen rekenen, maar een onderzoek waarvan je niet altijd precies begreep waarvoor het nodig was.
Hoe dat bezoek verliep, verschilde per school, plaats en periode. Toch keren in herinneringen dezelfde onderdelen terug: de oogtest, de weegschaal en het wachten tot je aan de beurt was.
Een dokter voor gezonde kinderen
Aan het begin van de twintigste eeuw was een arts die gezonde schoolkinderen onderzocht nog iets nieuws. In 1904 stelde Zaandam als eerste Nederlandse gemeente een schoolarts aan. Andere gemeenten volgden. De gedachte was dat je gezondheidsproblemen beter vroeg kon ontdekken, voordat een kind er op school of thuis ernstig door werd belemmerd.
De school bood daarvoor een goede ingang. Daar kwamen kinderen bijeen die thuis onder heel verschillende omstandigheden opgroeiden. Niet ieder gezin stapte bij een vermoeden van slecht zien of horen meteen naar een dokter.
De komst van de schoolarts betekende ook dat artsen meer invloed kregen op het dagelijks leven van kinderen. Gezondheid werd iets wat de school mede in de gaten hield.
Wat stond er op die kaart?
Voor een kind kon een oogtest gemakkelijk voelen als een overhoring. Eén oog afdekken en vertellen wat je op de kaart zag. Eerst ging dat moeiteloos. Verder naar beneden werd het lastiger. Was dat nu die letter, of toch een andere?
Het ging natuurlijk niet om een goed cijfer. De test moest duidelijk maken of een kind voldoende zag. Een leerling die moeite had met het bord, hoefde niet onoplettend te zijn: misschien waren de letters eenvoudigweg onscherp.
Ook het gehoor kreeg aandacht. Een Amsterdamse reportage uit 1922 beschrijft een onderzoek met een fluisterstem en een oogtest met plaatjes.
Meten, wegen en naar je rug kijken
Lengte en gewicht waren overzichtelijke gegevens: je kon ze opschrijven en later vergelijken. Ook de houding kreeg aandacht. Ruggen en voeten behoorden tot de lichaamsdelen waar schoolartsen naar keken.
Een voormalige Amsterdamse schoolarts herinnerde zich dat haar dochter met andere meisjes uitgekleed op een rij stond voor onderzoek. De omgang met privacy kon sterk verschillen van wat kinderen tegenwoordig gewend zijn.
Dat maakt terugkijken dubbel. Een onderzoek kon nuttig zijn en tegelijk ongemakkelijk voelen. Een arts zag een houding die aandacht verdiende; een kind voelde vooral dat anderen naar zijn lichaam keken.

Achter de cijfers zat een gezin
In de beginperiode waren ondervoeding en hygiëne belangrijke zorgen. Onderwijsgeschiedenis beschrijft hoe schoolartsen bij kinderen vaak ondervoeding constateerden.
Verpleegkundigen assisteerden en gingen soms op huisbezoek. Vanwege hun werk tegen hoofdluis werden zij ook wel ‘luizenzusters’ genoemd.
Voor gezinnen betekende die bemoeienis soms hulp, maar ze kon ook als controle worden ervaren. Een oordeel over de verzorging van een kind raakte immers al snel aan het huishouden en aan de ouders.
Ook aandacht voor hoe het met je ging
Na de Tweede Wereldoorlog kwam er meer aandacht voor de psychische en sociale kant van gezondheid. Alleen vaststellen of een kind goed zag en voldoende groeide, vertelde niet het hele verhaal.
De schoolarts kreeg daardoor een bredere rol, met aandacht voor problemen thuis en op school.
Voor leerlingen bleef het ondertussen een volwassene met een bijzondere positie. Geen leerkracht die je dagelijks zag, geen eigen huisarts, maar iemand die af en toe vroeg hoe het met je ging.
De schoolarts is er nog
De schoolarts hoort bij de herinneringen aan vroeger, maar het werk is niet verdwenen. Tegenwoordig spreken we meestal over jeugdartsen en jeugdverpleegkundigen binnen de jeugdgezondheidszorg. Ook doktersassistenten voeren onderdelen van het onderzoek uit.
De werkwijze verschilt per regio. In Amsterdam worden kinderen op de basisschool bijvoorbeeld op vijf- en tienjarige leeftijd uitgenodigd voor een gezondheidsonderzoek. Daarbij horen onder meer meten en wegen en, afhankelijk van leeftijd en aanleiding, controles van ogen en gehoor. De kleren blijven daarbij aan en deelname is vrijwillig.
Ook welzijn en ontwikkeling krijgen aandacht. Achter de vertrouwde oogtest ligt nog altijd dezelfde gedachte: een kind hoeft niet eerst duidelijk ziek te zijn voordat iemand vraagt of alles goed gaat.
Een kleine onderbreking die bleef hangen
De schoolarts was maar af en toe aanwezig. Toch kon zo'n bezoek lang in het geheugen blijven: die onderste regel die je niet meer kon lezen, de spanning voordat je naar binnen mocht, of de opluchting wanneer het klaar was.
Voor de één bleef het bij een routinecontrole. Voor de ander was het de aanleiding voor verder onderzoek. En soms veranderde er iets heel zichtbaars: bij een volgend bezoek aan de klas zat er ineens een bril op je neus.
