“Waar moeten we eraf?”
De bijrijder boog zich over een kaart die eigenlijk te groot was voor de beschikbare ruimte. Een deel lag op schoot, een ander deel stak tegen het dashboard. De plaatsnaam die zojuist op het verkeersbord had gestaan, was ergens op dat papier te vinden. Alleen nog even ontdekken waar.
“Volgens mij de volgende afslag.”
Wie met een papieren wegenkaart reisde, moest zelf de verbinding leggen tussen de wereld buiten de auto en de lijnen op het papier. Er was geen blauwe stip die meeliep. Geen stem die op tijd waarschuwde. En als je verkeerd reed, bleef de kaart precies hetzelfde.
De reis begon aan de keukentafel
Voor een onbekende bestemming werd de kaart vaak al thuis tevoorschijn gehaald. Nederland kon nog op tafel passen, al moest er soms een fruitschaal voor wijken. Voor een vakantie naar Frankrijk waren meer kaarten of een wegenatlas nodig.
Eerst zocht je de bestemming op. Daarna volgde je met een vinger de wegen vanaf huis. Welke grote plaatsen lagen onderweg? Waar moest je van snelweg wisselen? Was de kortste route ook de handigste?
Sommige reizigers schreven een rij plaatsnamen en wegnummers op een briefje. Anderen zetten potloodstreepjes op de kaart. De voorbereiding leverde een route op, maar ook een eerste beeld van de reis. Je zag hoe ver het was, welke rivier je zou oversteken en waar de bergen begonnen.
De vakantie was nog niet begonnen, maar je was in gedachten al onderweg.
Een land vol lijnen en tekentjes
Een wegenkaart moest veel informatie op weinig papier kwijt. Kleuren en lijndiktes onderscheidden soorten wegen; de legenda vertelde hoe je die moest lezen. Plaatsnamen stonden tussen rivieren, spoorlijnen en grenzen. Op gedetailleerdere kaarten kwamen daar symbolen voor bijvoorbeeld campings, bezienswaardigheden en uitzichtpunten bij.
Wie vaker kaarten gebruikte, raakte vertrouwd met die taal. Je leerde dat een weg op papier mooi recht kon lijken, terwijl een andere zich door een landschap slingerde. Je keek naar de schaal om te begrijpen hoeveel afstand een paar centimeter werkelijk vertegenwoordigde.
Een kaart kon ook verleiden. Daar lag een dorp met een merkwaardige naam. Daar liep een weg langs de kust. En die omweg door het bos zag er eigenlijk aantrekkelijker uit dan de hoofdroute.
De kaart hielp je daardoor niet alleen een bestemming te bereiken. Ze kon je ook op het idee brengen ergens anders heen te gaan.
De bijrijder als navigator
Met twee mensen voorin ontstond vaak een taakverdeling. De bestuurder lette op het verkeer; de bijrijder bewaakte de route. Dat werkte goed zolang beiden hetzelfde bedoelden met “straks rechts”.
De kaartlezer moest vooruitdenken. Een aanwijzing had weinig zin als de afslag al achter de auto lag. Tegelijk was het lastig om op papier bij te houden hoe ver je inmiddels was gevorderd. Een dorp, een brug of een kruising kon helpen om de positie terug te vinden.
Sommige mensen hielden het noorden boven. Anderen draaiden de kaart mee met de rijrichting. Beide manieren konden werken, maar een halve slag draaien met een uitgevouwen wegenkaart in een kleine auto vergde enig geduld.
Reed je alleen, dan kwam er af en toe een pauze. Op een parkeerplaats keek je opnieuw, onthield je het volgende deel en legde je de kaart weer weg.
De kaart dichtvouwen was een afzonderlijke vaardigheid
Een nieuwe kaart kwam keurig gevouwen uit haar omslag. Na een paar reizen had ze een eigen karakter.
De vouwlijnen werden wit. Op kruispunten van vouwen ontstonden kleine gaatjes. Een hoek bleef niet meer zitten zoals de bedoeling was. Soms was juist het stukje dat je nodig had, naar binnen gevouwen.
Het openmaken ging meestal nog wel. Het terugbrengen tot hetzelfde nette rechthoekje was moeilijker. Het papier leek ineens een andere mening te hebben over de volgorde van de vouwen.
Dan maar tijdelijk tussen de stoel en de deur. Of half dicht in het dashboardkastje, naast een parkeerschijf en een verzameling bonnetjes.
De wegenatlas bleef beter op schoot
Wie genoeg had van grote vouwkaarten, kon een wegenatlas gebruiken. De kaarten stonden op pagina’s, waardoor het geheel gemakkelijker te hanteren was.
Daar stond iets tegenover: de route hield soms midden in de reis op aan de rand van een blad. Een verwijzing wees naar de pagina waarop je verder moest. Die lag niet noodzakelijk direct ernaast.
Je vinger volgde de weg tot de rand. Bladeren. De aansluiting zoeken. Verder.
Een atlas maakte het kaartlezen handzamer, maar het overzicht moest je soms zelf in je hoofd samenstellen.
En dan kwam het stratenboek
De wegenkaart had je naar Utrecht, Eindhoven of Groningen gebracht. Nu moest je nog naar een adres in een wijk die je niet kende.
Daarvoor waren stadsplattegronden en stratenboeken bedoeld. Een losse stadskaart gaf een plaats in detail weer. Een stratenboek bundelde plattegronden van verschillende plaatsen, met registers waarmee je een straat kon opzoeken.
Falkplan-Suurland bracht bijvoorbeeld een 101-stedenboek van Nederland uit. De bibliotheekcatalogus vermeldt een uitgave uit 1985 en een latere versie uit 1991 onder de titel Het stedenboek van Nederland.1
Het opzoeken gebeurde in stappen. Eerst de juiste plaats, vervolgens de straatnaam in het register. De verwijzing stuurde je naar een kaartblad of pagina en een vak op de kaart. Een combinatie als D4 — hier een voorbeeld — beperkte het zoeken tot een klein rechthoekje.
Daar stond de straat. Nu moest je alleen nog bepalen hoe je er kwam.
Een straat vinden was nog geen voordeur vinden
Het stratenboek loste veel op, maar niet alles. Je moest weten vanaf welke kant je de stad binnenreed en welke wegen je mocht gebruiken. Eenrichtingsverkeer, een afgesloten doorgang of een verkeerd gekozen brug kon de route ingewikkelder maken.
En een lange straat betekende niet dat het gezochte huisnummer meteen in zicht kwam. Soms moest je nog een heel stuk doorrijden.
Bij een bezoek kreeg je daarom geregeld aanvullende aanwijzingen: na de kerk links, bij de tweede kruising rechts en tegenover de bakker parkeren.
Die plaatselijke uitleg vulde de kaart aan. Een straatnaam was precies, maar een opvallend gebouw kon onderweg gemakkelijker herkenbaar zijn.
Even iemand vragen
Wie vastliep, zocht een plek om te stoppen. Bij een benzinestation, een winkel of een voorbijganger kon je vragen hoe je verder moest.
Het antwoord kwam soms met een vinger op de kaart. Soms met een getekend schema op een stukje papier. En soms met zoveel herkenningspunten dat je na de eerste bocht alweer twijfelde.
Toch kon zo’n gesprek precies het ontbrekende stukje leveren. De kaart kende de wegen; een bewoner wist welke ingang je nodig had of dat de doorgaande straat tijdelijk openlag.
De nieuwe wijk stond er nog niet in
Een papieren kaart legde een situatie vast op het moment waarop de gegevens waren verwerkt. Daarna veranderde de wereld verder.
Er kwamen woonwijken bij. Een nieuwe rondweg nam verkeer over van de oude route. Straten kregen een andere inrichting. Een kaart die nog prima bruikbaar leek, kon op een belangrijk punt achterlopen.
Dat merkte je soms pas ter plaatse. Het adres stond niet in het register, of de weg buiten klopte niet meer met de lijn op papier.
Een nieuwe editie kopen hoorde daardoor bij het gebruik. Al bleef een oude atlas soms jarenlang in de auto liggen, omdat hij voor de meeste ritten nog voldeed.
Van kaart naar scherm
Digitale routeplanners veranderden eerst de voorbereiding. Je voerde vertrekpunt en bestemming in en drukte de aanwijzingen af. Het papier bleef mee op reis, maar het uitzoeken van de route was grotendeels overgenomen.
Navigatieapparaten en later smartphones maakten ook onderweg verschil. Ze konden de positie tonen en nieuwe aanwijzingen geven wanneer je van de route afweek.
Daarmee werd een onbekend adres veel gemakkelijker bereikbaar. De bijrijder hoefde minder te zoeken en het stratenboek verloor zijn vaste plek binnen handbereik.
Er ging ook een gewoonte verloren: vooraf rustig bekijken waar je eigenlijk heen ging.
Nog steeds een plek voor papier
Papieren wegenkaarten zijn niet verdwenen. De ANWB verkoopt nog altijd wegenkaarten, waaronder kaarten van Nederland en kaarten van andere uitgevers.2 Ze kunnen prettig zijn bij het plannen van een reis of als reserve naast digitale navigatie.
Het overzicht blijft hun sterke kant. Op een grote kaart zie je een hele streek tegelijk. Je kunt een route bespreken, alternatieven vergelijken en ontdekken wat er in de omgeving ligt, zonder steeds te schuiven of in te zoomen.
Een oud stratenboek heeft bovendien een tweede leven gekregen als tijdsbeeld. Het laat zien welke wijken er al waren, waar de stad ophield en welke wegen sindsdien zijn veranderd.
Een versleten kaart vertelt soms nog iets persoonlijkers. Een cirkel rond een camping. Een route in potlood. Een scheur op de plek waar tijdens die ene vakantie telkens opnieuw werd gekeken.
Je weet misschien niet meer welke afslag je toen moest hebben. Maar dat papier kan nog precies oproepen hoe het was om onderweg te zijn.
